Wetenschappelijke publicaties

 

1. Duurzame cryopreservatie van navelstrengstamcellen


Langdurige cryopreservatie van stamcellen uit menselijk navelstrengbloed is, in het licht van de opslag van het navelstrengbloed met het oog op latere toepassingen bij de mens, van cruciaal belang (en dit geldt zowel voor autologe als voor allogene transplantaties). In dat opzicht is het niet alleen van belang dat na cryopreservatie een groot aantal levensvatbare cellen kunnen worden teruggevonden, maar ook dat hun groei eigenschappen, hun functionaliteit en hun entvermogen niet worden aangetast, wat het potentieel na cryopreservatie voor klinische toepassingen aantoont. In de recente literatuur zijn er al heel wat representatieve actuele gegevens te vinden die aantonen dat door toepassing van (automatische) programma-gestuurde invriesprocédés in combinatie met beproefde cryopreservatiemedia en in detail beschreven procedures voor het ontdooien, aan deze criteria kan worden voldaan. Daarbij worden opslagperiodes bij ultralage temperaturen tot 15 jaar beschreven (ref. 1-4). Uit de beschikbare informatie blijkt voorts dat gecontroleerde omstandigheden borg kunnen staan dat cryopreservatie nog veel langer in de tijd kan worden gerekt; een ‘vervaldatum’ – indien die al bestaat – werd tot op heden niet bepaald.


2. Autologe versus allogene stamceltherapie



Volgens een recent rapport van de European Group for Blood and Marrow Transplantation (EBMT; ref. 5) werden er in 2005 in totaal 24.168 primaire hematopoïetische stamceltransplantaties (HSCT) uitgevoerd, 15.278 autologe (63%), 8.890 allogene (37%) en 3.773 extra hertransplantaties of meervoudige transplantaties. Dit alles werd gemeld door 597 centra in 43 deelnemende landen. De belangrijkste indicaties waren lymfomen (13.825 (57%; 89% autoloog)), leukemie (7.404 (31%; 82% allogeen)); vaste tumoren (1.655 (7%; 92% autoloog)) en niet-kwaadaardige stoornissen (1.131 (5%; 93% allogeen)). In vergelijking met 2004 kan, wat betreft allogene HSCT, een stijging met 20% worden waargenomen; het aantal autologe HSCT bleef ongewijzigd. De meest opmerkelijke stijging kon worden vastgesteld bij niet-gerelateerde HSCT, goed voor 41% van alle allogene HSCT. Niet-gerelateerde HSCT werd hoofdzakelijk uitgevoerd bij leukemie omdat de prenatale oorsprong van leukemie bij kinderen het gebruik van autologe HSCT uitsluit. Vandaar dat autologe HSCT als interessant en controversieel wordt gezien bij kinderleukemie, ondanks het feit dat de incidentie van preleukemie afwijkingen echter ~100 keer minder vaak voorkomt dan kinderleukemie (ref. 6). Dat zou er op kunnen wijzen dat een tweede - postnatale - trigger nodig is voor de klinische ontwikkeling van kinderleukemie. De eerste autologe navelstrengbloedtransplantatie voor de behandeling van een leukemiepatiëntje werd dan ook pas begin 2007 gerapporteerd (ref. 7).

In Nederland bedraagt de kostprijs van een allogene HSCT gemiddeld 70.446 €. Dat staat in schril contrast met de 40.593 € voor een autologe HSCT. De gemiddelde extra kost voor het identificeren van een geschikte donor voor allogene HSCT bedraagt 42.000 € (ref. 8). Terwijl er naar een geschikte donor wordt gezocht heeft de ziekte bovendien de neiging om zich verder te ontwikkelen naar een meer geavanceerde fase of naar een fase met verhoogd risico. Deze cijfers duiden op een duidelijk farmaco-economisch effect ten gunste van - waar mogelijk - autologe HSCT. Een tijdige ingreep kan bijdragen tot een beter klinisch resultaat aangezien de vordering van de ziekte sneller een halt kan worden toegeroepen en bvb. weefselbeschadigingen a.g.v. chemotherapie kan worden beperkt. Bovendien is er bij allogene HSCT vaak chronische immunosuppressie vereist en ook dat tast de levenskwaliteit verder aan.

3. Navelstrengbloedtransplantatie versus transplantatie van beenmerg of perifere bloedstamcellen



De risico’s en de voordelen van navelstrengbloed t.o.v. beenmerg en perifeer bloed zijn inmiddels bekend. Het inzamelen van het bloed houdt voor de donor geen risico in. Het bloed kan worden bewaard door cryogene opslag voor langdurige periodes. Het diepgevroren navelstrengbloed is onmiddellijk beschikbaar en kan eenvoudig worden getransporteerd naar ieder transplantatiecentrum waar ook ter wereld. Navelstrengbloed is geassocieerd met een lagere incidentie van Graft Versus Host Disease (GVHD), en zelfs een gedeeltelijke overeenkomst qua weefseltype wordt toegestaan. Bovendien is er ook een sterk verminderd – bijna verwaarloosbaar – risico op overdracht van infectieuze ziekten. Vanuit een klinisch perspectief is er geen enkel andere stamcel-technologie zo succesvol toegepast dan het transplanteren van stamcellen uit navelstrengbloed voor de behandeling van hematologische kwaadaardige ziekten, gericht op de reconstitutie van het beenmerg. Gunstige resultaten van een prospectieve klinische studie waarin transplantaties met totaal vreemd navelstrengbloed werden vergeleken met beenmerg of gemobiliseerd perifeer bloed afkomstig van verwante donoren bij volwassenen werden gepubliceerd (ref. 10).

Deze gegevens tonen aan dat stamcellen van navelstrengbloed afkomstig van een vreemde donor even veilig en werkzaam zijn dan stamcellen afkomstig van beenmerg of perifer bloed van verwanten, indien ze gebruikt worden als de primaire behandeling en op zelfde tijdstip gestart wordt, t.t.z. alvorens de ziekte ontspoort in afwachting van het identificeren van een geschikte donor. Nochtans, eerder dan zich te richten op toepassingen van stamcellen uit navelstrengbloed voor het herstel van het beenmerg, hierbij voornamelijk verwijzend naar hun groot vermogen tot differentiatie en multi-potentie in vergelijking tot andere post-natale volwassen stamcellen, verdienen zij vooral aandacht als een bijzonder waardevolle bron voor toekomstige toepassingen op het gebied van weefsel herstel (vide infra).


4. Autologe stamcellen uit navelstrengbloed



Bij verworven en genetische stoornissen van de hematopoiese werd in het verleden reeds menigmaal transplantatie van navelstrengbloed volgens de allogene opstelling toegepast. Wat betreft de toepassing van autologe navelstrengbloed-transplantatie is er heel wat minder ervaring beschikbaar. Reden daartoe is o.a. de grote controverse rond de rol van autologe navelstrengbloedinzameling en -opslag. Ondanks deze controverse en het recente fenomeen van privé-opslag van navelstrengbloed, konden toch een aantal cases worden gerapporteerd in de wetenschappelijke litteratuur waarbij neuroblastoom in fase IV (ref. 9) en ernstige aplastische anemie (ref. 10) succesvol werden behandeld. Er werd tevens melding gemaakt van een controversiële en interessante behandeling van een kind met leukemie (ref. 7). Dat alles toont duidelijk de significante klinische mogelijkheden aan.

Diverse goed gedocumenteerde voorbeelden tonen verder duidelijk de significante mogelijkheden aan van (autoloog) navelstrengbloed uit stamcellen voor regeneratieve geneeskunde. Weefselengineering van levende bloedvaten uit navelstrengprogenitoren vormen een veelbelovende nieuwe optie voor het herstellen van aangeboren afwijkingen (ref. 11). De inductie van stamcellen uit navelstrengbloed in insulineproducerende eilandjes, die bovendien insuline en C-peptide produceren, houdt significante mogelijkheden in, richting stamcelgebaseerde therapieën voor diabetes (ref. 12). En recent nog kondigden Britse vorsers van de universiteit van Newcastle ‘s werelds allereerste kunstmatige lever aan die werd gecreëerd uit navelstrengbloed; een wetenschappelijk gestoffeerd artikel hierover ontbreekt vooralsnog (ref. 13).

 


 

Referenties:

 

1. Kobylka et al, Transplantation 65 (9), 1275-1278 (1998);
2. Spurr et al, Cryobiol. 44, 210-217 (2002);
3. Broxmeyer et al, Proc. Natl. Acad. Sci.USA 100 (2), 645-650 (2003);
4. Moezzi et al, Transpl. Proc. 37, 4500-4503 (2005);
5. Gratwohl et al, Beenmerg Transplantation 39, 71-87 (2007)
6. Mori et al, Proc. Natl. Acad. Sci. USA 99, 8242-8247 (2002);
7. Hayani et al, Pediatrics 119, 296-300 (2007);
8. Tan et al, iMTA Report nr. 06.80 (2006);

9. Brunstein & Wagner, Annu Rev Med 57, 403-417 (2006);
10. Takahashi et al, Blood 109 (3), 1322-1330 (2007);
11. Ferreira et al, Beenmerg Transplantation 24, 1041 (1999);
12. Fruchtman et al, Biol Blood Marrow Transpl. 10, 741-742 (2004);
13. Schmidt et al, Ann. Thorac. Surg. 82, 1465-1471 (2006);
14. Sun et al, Biochem Biophys Res Commun. Jan 24, (2007);
15. Daily Mail, October 31st, 2006.

 
 

 Use of this website signifies your agreement to the Disclaimer
©2008 Cryo-Save AG

All rights reserved

Webdesign Vector BROSS