Navelstrengbloedtransplantatie versus transplantatie van beenmerg of perifere bloedstamcellen
De risico’s en de voordelen van navelstrengbloed t.o.v. beenmerg en perifeer bloed zijn inmiddels bekend. Het inzamelen van het bloed houdt voor de donor geen risico in. Het bloed kan worden bewaard door cryogene opslag voor langdurige periodes. Het diepgevroren navelstrengbloed is onmiddellijk beschikbaar en kan eenvoudig worden getransporteerd naar ieder transplantatiecentrum waar ook ter wereld. Navelstrengbloed is geassocieerd met een lagere incidentie van Graft Versus Host Disease (GVHD), en zelfs een gedeeltelijke overeenkomst qua weefseltype wordt toegestaan. Bovendien is er ook een sterk verminderd – bijna verwaarloosbaar – risico op overdracht van infectieuze ziekten. Vanuit een klinisch perspectief is er geen enkel andere stamcel-technologie zo succesvol toegepast dan het transplanteren van stamcellen uit navelstrengbloed voor de behandeling van hematologische kwaadaardige ziekten, gericht op de reconstitutie van het beenmerg. Gunstige resultaten van een prospectieve klinische studie waarin transplantaties met totaal vreemd navelstrengbloed werden vergeleken met beenmerg of gemobiliseerd perifeer bloed afkomstig van verwante donoren bij volwassenen werden gepubliceerd (ref. 10).
Deze gegevens tonen aan dat stamcellen van navelstrengbloed afkomstig van een vreemde donor even veilig en werkzaam zijn dan stamcellen afkomstig van beenmerg of perifer bloed van verwanten, indien ze gebruikt worden als de primaire behandeling en op zelfde tijdstip gestart wordt, t.t.z. alvorens de ziekte ontspoort in afwachting van het identificeren van een geschikte donor. Nochtans, eerder dan zich te richten op toepassingen van stamcellen uit navelstrengbloed voor het herstel van het beenmerg, hierbij voornamelijk verwijzend naar hun groot vermogen tot differentiatie en multi-potentie in vergelijking tot andere post-natale volwassen stamcellen, verdienen zij vooral aandacht als een bijzonder waardevolle bron voor toekomstige toepassingen op het gebied van weefsel herstel (vide infra).
10. Takahashi et al, Blood 109 (3), 1322-1330 (2007);